Evaluatie 3e tussenrapportage SHO

Samenwervende of Samenwerkende Hulp Organisaties?

Amsterdam, 14 November 2005 – De succesvolle inzamelingsactie voor Azië bracht ruim 200 miljoen op. De Donateursvereniging (DV) zet zich in overleg met de Samenwerkende Hulp Organisaties (SHO) in voor transparante verantwoording van de bestedingen in het rampgebied. Onlangs brachten de SHO de 3e tussenrapportage over de actie voor Azië uit. De Donateursvereniging maakte een uitgebreide evaluatie van dit rapport.

Het is voor het eerst dat de samenwerkende hulporganisaties gezamenlijk rapporteren over de bestedingen van het opgehaalde geld. Dit is een positief punt. Ook het feit dat de tussentijdse rapportages zo snel gereed zijn, is prijzenswaardig.

Inhoudelijk heeft de DV een aantal punten genoteerd waarbij nog vragen open staan, of die voor verbetering vatbaar zijn. Hieronder een korte samenvatting:

  • Het rapport gaat over de bestedingen van de SHO. Er is te zien wat de SHO heeft uitbetaald aan haar (gast)leden en welk deel daarvan is besteed. Voor inzicht in de bestedingen van de (gast)leden wordt verwezen naar de individuele websites van die (gast)leden. Daar is deze informatie echter niet altijd te vinden. Bovendien blijft het op deze manier speurwerk om een compleet beeld te krijgen van de bestedingen. De DV pleit voor meer inzicht in de bestedingen door de diverse (gast)leden.
  • Er staan een aantal gemaakte afspraken in het rapport (maximaal 3 jaar voor de besteding, maximaal 6% akv-kosten). Nergens staat echter aangegeven hoe wordt geëvalueerd of leden zich ook aan de afspraken houden of wat er gebeurt als dit niet lukt.
  • In het rapport staat dat er over € 196,5 mln. verantwoording wordt afgelegd. Er blijkt echter slechts over € 27 mln. (15%) rapportages te zijn ontvangen.
  • Per land worden de knelpunten en oplossingen aangegeven. Het is goed dat zo transparant wordt gecommuniceerd over de aangetroffen knelpunten en oplossingen. Dit laat aan het publiek zien dat het niet altijd eenvoudig is in getroffen gebieden te werken en dat hulporganisaties ook lerende organisaties zijn. Helaas lijken de genoemde punten vaak een ad hoc opsomming en niet een gedegen evaluatie per land.
  • Onderlinge coördinatie van hulporganisaties in de getroffen gebieden wordt meermaals genoemd als een probleem. Er is soms zelfs sprake van “competitie tussen organisaties in de getroffen gebieden”. Dit punt verdient meer aandacht en uitleg. Blijken de SHO toch vooral Samenwervende Hulporganisaties te zijn? Hopelijk kan in de toekomst ook meer samenwerking en coördinatie in het veld op de agenda staan.

De complete evaluatie is aan de SHO aangeboden en is op de speciale Azie pagina te vinden.

De Donateursvereniging hoopt hiermee de SHO te helpen in de toekomst nog transparanter te rapporteren naar het publiek toe en tegelijkertijd aan het publiek, de donateurs, te laten zien hoe je kritisch kunt kijken naar beschikbare informatie van goede doelen organisaties.

Hieronder zijn een aantal punten weergegeven naar aanleiding van het 3de tussenrapportage “Help slachtoffers aardbeving Azië. De navolgende punten dienen gelezen te worden als opmerkingen vanuit de invalshoek van donateurs en zijn niet bedoeld om cijfers of andere zaken inhoudelijk ter discussie te stellen.

Per punt wordt eerst een quote gegeven met paginanummer en aansluitend volgt een opmerking of vraag dat hierop betrekking heeft.

Punt 1
Quote pagina 1
“Als SHO hebben wij afgesproken dat zij de opbrengst van giro 555 binnen maximaal 3 jaar besteden.”

Opmerking:

  • Wat als (door omstandigheden) de besteding van de gelden langer duurt? Mag dat geld dan alsnog besteed worden? Wie houdt hier toezicht op? Hoe wordt het publiek hierover geïnformeerd?

Punt 2
Quote pagina 3
“Bij het begin van de actie is besloten om 10% van de inkomsten op giro 555 opzij te zetten voor Nederlandse organisaties die geen lid zijn van de SHO. Deze gastorganisaties konden een voorstel indienen voor financiering. De voorstellen werden door een commissie van noodhulpspecialisten van verschillende organisaties getoetst. De termijn voor het indienen van voorstellen is verstreken en tien voorstellen zijn goedgekeurd. Deze voorstellen hebben een totale omvang van 8%. De overige 2% zal onder de lidorganisaties verdeeld worden.”

Opmerkingen:

  • Waarom is slechts 8% verdeeld onder de gastorganisaties ipv de voorgenomen 10%?
  • Hoe was de procedure om als gastorganisatie aangemerkt te worden? Hierover lijkt onduidelijkheid te bestaan bij diverse organisaties die zich hadden aangemeld?
  • Zijn er leerpunten uit te halen voor eventuele toekomstige situaties waarbij gastorganisaties worden uitgenodigd zich aan te melden?

Punt 3
Quote pagina 4
“Voor informatie over het gehele programma van de SHO(gast)leden wordt verwezen naar de websites van deze individuele organisaties. De meeste organisaties hebben een aparte pagina over de tsunami activiteiten.”

Opmerking:

  • De MEESTE organisaties hebben een aparte websitepagina over de tsunami activiteiten, dus niet allemaal. Waarom  niet?
  • Het zou inzichtelijker zijn voor de donateurs indien alles op internet terug te vinden is. Misschien een aanbeveling voor de toekomst?

Punt 4
Quote pagina 5
“De opbrengst op giro 555 is per 31 augustus opgelopen tot 207 miljoen euro. Het Nederlandse publiek heeft bijna 202 miljoen geschonken en de minister voor Ontwikkelingssamenwerking heeft 5 miljoen euro gedoneerd. De SHO rapporteren apart en op een ander tijdstip over dit bedrag aan het Ministerie van Buitenlandse zaken.”

Opmerking:

  • Waarom wordt over de 5 miljoen van de overheid apart gerapporteerd? Dat geld is uiteindelijk ook afkomstig van het publiek. Uiteindelijk is het ook aan hetzelfde project besteed. Waarom dan niet integraal rapporteren?

Punt 5
Quote pagina 6
“Op het totaal door de organisaties van SHO ontvangen fondsen van € 196,5 miljoen wordt een reservering3 gemaakt voor apparaatskostenvergoeding (akv) ten hoogte van de maximale ruimte. Daarnaast wordt over dit bedrag rente ontvangen, de rente komt geheel ten goede van de hulpverlening. Na aftrek van de akv en optelling van de rente is een totaal bedrag (verder in het stuk aangeduid met beschikbare tsunami fondsen) van € 186 miljoen beschikbaar voor projecten in de getroffen gebieden (zie bijlage 1).”

Opmerkingen:

  • Bij reservering staat note3 maar deze lijkt niet te zijn toegelicht.
  • 6% x € 196,5 mln is € 11,8 mln. Wat als de AKV kosten (per individuele organisatie) hoger zijn dan de 6%? Wordt het meerdere dan gedekt door die organisatie zelf? Zo ja, uit welke fondsen wordt dit dan door die organisatie gedekt? Uit fondsen die ook voor andere projecten hadden kunnen worden ingezet? Zo ja, is dit ergens toegelicht? Zo nee, wellicht een idee om dit nader toe te lichten?
  • 6% à in tegenstelling tot vorige punt ‘meer AKV kosten’, wat gebeurt er als er minder kosten worden gemaakt? Dit lijkt aannemelijk omdat er behoorlijke bedragen gereserveerd zijn ook voor de wat kleinere organisaties, bijvoorbeeld:

– Tear Fund, die heeft gebruikelijk een ‘omzet’ (2004) van circa € 3,5 mln en nu alleen al voor de Tsunami € 10 mln (met een AKV dekking van € 600.000).
– Kerk in aktie, die heeft gebruikelijk een ‘omzet’ (2004) van circa € 40 mln en nu alleen al voor de Tsunami € 27 mln. (met een AKV dekking van 1,6 mln).
– Als er minder kosten worden gemaakt, is het dan mogelijk dat deze kosten vloeien naar het Tsunami project of kunnen organisaties een eventueel overschot aanwenden voor andere projecten?

  • Over de AKV van 6% is inmiddels redelijk wat bekend, echter, over de inhoudelijke projectkosten nauwelijks. Met andere woorden, van de totale taart is 6% bekend, maar waar de overige 94% aan worden besteed niet. Bijvoorbeeld, wat is er besteed aan bouwmaterialen, lokale salarissen, geneeskundige kosten zoals medicijnen, voedsel etc. Dit zou dan weer kunnen worden uitgesplitst naar land of organisatie of soort van project etc. Ook is het belangrijk om te weten welk deel van de overheadkosten van de organisatie in Nederland en van de organisatie op lokatie worden toegewezen aan dit project.

Punt 6
Quote pagina 6

afbeelding 3

Quote pagina  7
“Van de ruim € 27 mln (15%) die in de getroffen gebieden is uitgegeven, zijn rapportages ontvangen.”

Quote pagina 5
“Er is tot nu toe een bedrag € 196.553.500 overgemaakt. Over dit bedrag wordt in deze rapportage verantwoording afgelegd.”

Quote pagina 9
“Wanneer wordt overgegaan van de noodhulpfase naar de wederopbouw is het tijd om te reflecteren en een lange termijn planning voor de hulpverlening op te zetten. Dit is een verklaring voor de tijdelijke beperkte bestedingen. De committeringen zitten wel op schema”

Opmerkingen:

  • Op bladzijde 5 staat dat er over € 196,5 mln. verantwoording wordt afgelegd. Op bladzijde 7 staat dat er over  € 27 mln. (15%) rapportages zijn ontvangen. Deze percentages lijken niet met elkaar in overeenstemming te zijn en scheppen daarom verwarring. Zijn dit de financiële rapportages?
  • De 3de rapportage van SHO is uitvoerig en roept het beeld op DE tussentijdse financiële verantwoording van ALLE ‘SHO-organisaties’’ te zijn, echter de financiële verantwoording is na 8 maanden (status t/m aug 2005) ‘slechts’ over 15% (of indien genomen van bestedingen 27,1/77,9 = 35%). Is hier geen mismatch in perceptie over wat verantwoording is? De donateur zou kunnen denken de individuele organisaties tenminste over de ‘overmakingen’, dan wel wat ruimer gedacht, over de ‘committeringen’ verantwoording wordt afgelegd.
  • De uitleg over het onderscheid tussen committeringen en bestedingen is niet duidelijk.

Punt 7
Quote pagina 7

afbeelding 4

Opmerking:
De bedoeling van financiële rapportage in het algemeen en met name deze 3de tussenrapportage in het bijzonder, is om de lezer financieel te informeren maar vooral ook om te bewerkstelligen dat gevers aan goede doelen vertrouwen krijgen en houden in de uitvoerende organisaties.

In hoofdstuk 10 zijn veel lessen opgesomd, echter, donateurs worden ook graag op de hoogte gehouden over het volgende.

Volgens www.transparency.org staan de bovengenoemde landen op de volgende plaatsen van de2005 Corruptie Perceptie Index

Totaal aantal landen op de index: 158

India  : 88
Indonesie : 137
Myanmar : 155
Somalie : 144
Sri Lanka : 78
Thailand : 59

De ranking van deze landen geeft aan dat er de perceptie van is dat zij in meer of mindere mate corrupt zijn. Hiermee is niet gezegd dat organisaties die in deze landen operationeel zijn zelf ook corrupt zijn! Maar wel dat organisaties blijkbaar wel in een invloedssfeer werkzaam zijn die door Transparency wordt gezien als corrupt.
Verder zijn mede onder leiding van Transparency International in april 2005 circa 60 vertegenwoordigers van zowel de zes door de Tsunami getroffen landen alsmede 16 grote internationale donororganisaties twee dagen in Jakarta bijeen geweest om te praten over het voorkomen van misbruik van “Tsunami gelden.”
In deze 3de tussenrapportage wordt corruptie zijdelings aangehaald, maar wordt niet volledig belicht hoe corruptie de organisaties in haar hulpverlening raakt. Wat is de reden dat fondsenwervende instellingen wel deelnemen aan internationale conferenties waar getracht wordt afspraken te maken die misbruik van Tsunami geld verkleint en dat dit niet via tussentijdse rapportages met donoren wordt gedeeld?

Voor een actueel report zie: corruption perception index 2013

Verder wat doen de SHO zoal om projectbestedingen tegen corruptie te beschermen en welke rol de SHO zichzelf in algemene zin toedichten in het beperken van corruptie in de landen waarin men actief is?

Eventueel kan het moment van afleggen van financiële verantwoording goed worden gebruikt om donoren bewust te maken over het feit dat ontwikkelingssamenwerking (inclusief noodhulp) niet eenvoudig is. Zo kan het rapporteren over corruptiebestrijding bijdragen aan de bewustwording van donors dat organisaties naast operationele knelpunten ook te maken hebben met moeilijke (externe)omgevingsfactoren.

Transparantie over knelpunten (zoals corruptie) leidt tot meer inzicht en daarmee wellicht tot een stabielere fondsenwerving.

Punt 8
Hoofdstuk 4 “overzicht per land”
In dit hoofdstuk worden per land o.a. de knelpunten en oplossingen aangegeven.

Opmerkingen:

  • Allereerst goed dat zo transparant wordt gecommuniceerd over de aangetroffen knelpunten en oplossingen. Dit laat aan het publiek zien dat het niet altijd eenvoudig is in getroffen gebieden te werken en dat hulporganisaties ook lerende organisaties zijn.
  • Bij India (p. 10) worden twee goede voorbeelden van knelpunten gegeven. Het lijkt echter niet een gestructureerd overzicht van knelpunten in India, maar een ad hoc opsomming. Zijn dit alle knelpunten in het hele land?
  • Bij Indonesië (p.12) worden alleen knelpunten gegeven in Atjeh. Wat gebeurt er in de rest van Indonesië?
  • Als structureel probleem wordt genoemd dat onderlinge solidariteit tussen bevolkingsgroepen wordt aangetast doordat alleen bepaalde mensen hulp krijgen en andere niet. Als mogelijke oplossing wordt vrijwillige ververdeling van hulp tussen “have’s” en “have nots” genoemd. Dit lijkt geen sluitende oplossing voor het probleem van jaloezie tussen mensen die allemaal de hulp goed denken te kunnen gebruiken.
  • De vraag rijst hoe iemand wordt geselecteerd om hulp te ontvangen?
  • Bij Somalië (p. 14) worden een aantal serieuze problemen genoemd bij de hulpverlening in Somalië. Er wordt echter niet aangegeven hoe dit de hulpverlening beïnvloed en hoe de SHO hiermee omgaan, welke oplossingen zijn gevonden?
  • In Sri Lanka (p. 16) blijkt uit een rapport van de Rekenkamer dat door verschillende niveaus van de overheid geld verkeerd is besteed. Hoe gaat dit in de toekomst voorkomen worden?
  • Onderlinge coördinatie van hulporganisaties in de getroffen gebieden wordt meermaals genoemd als een probleem. Echte oplossingen worden echter niet genoemd. In Sri Lanka zijn bijvoorbeeld 14 van de 18 SHO organisaties actief. Daarnaast zijn ook vele buitenlandse organisaties ter plekke actief. De Samenwerkende Hulp Organisaties geven niet aan waarom het noodzakelijk is dat zij allen ter plekke actief zijn.

Punt 9
Quote pagina 20
“Hoofdstuk 10 lessen en aanbevelingen”

Opmerkingen:

  • Inzicht in het beleid, en achterliggende principes, zoals het “do no harm principe” is erg waardevol.
  • SHO geven toe dat er soms te weinig is gekeken naar wat de lokale behoeften zijn. Het is logisch dat er bij een ramp snel gehandeld moet worden en er wel eens wat over het hoofd wordt gezien. Maar hadden deze ervaren organisaties hier niet eerder rekening mee kunnen houden?
  • Ook het “gender issue” (vrouwen en kinderen blijven vaak buiten beschouwing) is een bekend issue, wat nu als leerpunt wordt genoemd. Had dit niet eerder meegenomen kunnen worden? Alle deelnemende organisaties zullen hier toch eerder mee te maken hebben gehad?
  • Onderlinge coördinatie van hulporganisaties in de getroffen gebieden wordt meermaals genoemd als een probleem. Op p. 20 wordt zelfs “competitie tussen organisaties in de getroffen gebieden” aangekaart. Dit punt verdient meer aandacht en uitleg. Blijken de SHO toch vooral Samen WERVENDE Hulporganisaties te zijn? Hopelijk kan in de toekomst ook meer samenwerking in het veld op de agenda staan.